Duurzame bereikbaarheid van de Randstad

In juli honoreerde NWO vier onderzoeksvoorstellen in het kader van het programma Duurzame Bereikbaarheid van de Randstad. Alle vier kregen ze het predikaat ‘excellent’ en bij alle vier is de sectie Transportbeleid en Logistieke Organisatie (TLO), onderdeel van TBM, nauw betrokken. NWO had keuze uit 25 voorstellen en in totaal 3,4 miljoen euro te besteden. Alle reden dus voor TLO-ers Caspar Chorus en Bert van Wee om tevreden te zijn. Waarom wonnen juist zij de jackpot, en wat gaan ze doen met het geld?

“We waren verrast dat ze alle vier werden gehonoreerd”, zegt Caspar Chorus, docent en onderzoeker bij de sectie TLO, en betrokken bij drie van de voorstellen. Hij voegt er direct aan toe: “Een deel van de credits gaat naar onze collega Eric Molin hoor”. Molin is om gezondheidsredenen tijdelijk afwezig, maar was trekker van één van de vier voorstellen. Chorus: “De subsidieaanvragen zijn gedaan door consortia, groepen onderzoekers van verschillende universiteiten. Wij hebben erg veel tijd besteed aan onderling overleg, waarschijnlijk meer dan de andere aanvragers.” Bert van Wee, sectieleider en hoogleraar TLO, vult aan: “We werkten al nauw samen met onze partners, maar we hebben geen nietjes geslagen door bestaande programma’s. We gaan echt nieuwe dingen doen.”

Grote vragen
De vier programma’s - voor twee ervan is TLO programmaleider - stellen grote, vergaande vragen over de toekomstige bereikbaarheid van de Randstad. De termijn waarover de onderzoekers zich buigen loopt tot 2030 - 2040. Hoe gaan automobilisten zich straks gedragen als ze meer moeten betalen voor het gebruik van hun auto, en minder voor het bezit ervan? Wat gebeurt er als de olie op is of op de bon gaat? Het zijn vragen die tot de natuurlijke scope behoren van een TBM-er. “We zouden ook wel iets uit te leggen hebben gehad als geen van onze voorstellen was gehonoreerd”, zegt Bert van Wee realistisch.

“Maar we hebben in totaal meegewerkt aan zeven voorstellen, er zijn er drie dus niet in de prijzen gevallen. Dat is beslist geen schande, je concurreert met de beste onderzoeksgroepen van Nederland. Bovendien zijn de afgewezen drie goed beoordeeld, eentje ervan ook als excellent.”

Slimmere keuzes
De twee gehonoreerde programma’s waarin TLO leidend is, zijn goede voorbeelden van hoe innovatief de voorstellen zijn. Het programma Synchronizing networks, waarvan Eric Molin programmaleider is, gaat ervan uit dat mensen zich bewegen door meerdere netwerken tegelijkertijd: het verkeersnetwerk, het OVnetwerk, het ICT-netwerk. Maar gaat men wel slim om met die verschillende netwerken? Caspar Chorus legt uit: “Als je infrastructurele netwerken en activiteiten van mensen beter op elkaar afstemt, dan kun je daarmee de bereikbaarheid van een stedelijk gebied als de Randstad verbeteren. Mensen brengen bijvoorbeeld hun kinderen naar de crèche op weg naar hun werk. De leidsters van het dagverblijf moeten er op dat moment ook zijn. Iedereen is rond dezelfde tijd onderweg, vaak gebruikmakend van hetzelfde vervoermiddel, de auto. Als je een crèche inricht in een Transferium en ook nog eens de openingstijden van het kinderdagverblijf aanpast aan de vertrek- en aankomsttijden van intercity’s, wat gebeurt er dan? Dat is wat we bij TLO gaan onderzoeken: hoeveel kun je verwachten van mensen bij het anders inrichten van mobiliteit? En dan gaat het niet alleen om fysieke verplaatsingen, maar ook om alles dat met ICT te maken heeft. Als je OV-informatie in een TomTom stopt, gaan automobilisten dan slimmere keuzes maken? De techniek kan helpen de netwerken te synchroniseren. Het klinkt abstract, maar feitelijk ontwerpen we netwerken en voorspellen we stromingen daarbinnen. Er wordt flink gerekend in dit onderzoek.”

Toekomstscenario’s
Het tweede deelprogramma dat TLO leidt heet The value of recreation. Het moet ons meer inzicht verschaffen in hoe burgers recreatieactiviteiten waarderen en wat de gevolgen daarvan zijn voor de mobiliteit. Programmaleider Bert van Wee: “Vaak denkt men dat recreatiebehoeften maatschappelijk niet zo gewichtig zijn. Maar die hele leisure industry is een snel groeiende bedrijfstak, economisch heel belangrijk. Er wordt onterecht weinig aandacht aan besteed.”

Het team van Van Wee gaat eerst inventariseren welke keuzes mensen maken in hun vrije tijd: waar gaan ze naartoe, wat doen ze daar, hoe waarderen ze het? Vervolgens bestudeert men de activiteitenpatronen van recreatie en hoe die samenhangen met mobiliteit. Deze onderzoeken worden uitgevoerd door de VU in Amsterdam en de Technische Universiteit Eindhoven. Delft gaat de inzichten eruit omzetten in toekomstscenario’s: wat gaat er gebeuren met het recreatiegedrag als de boel flink gaat veranderen? Als er bijvoorbeeld een hele hoge kilometerheffing wordt ingevoerd, of als er een streng energie- en uitstootbeleid wordt gevoerd, waarbij je per persoon een (verhandelbaar) quotum aan CO2-emissierechten hebt om te verreizen. Wat gaan mensen doen bij zulke onorthodoxe maatregelen? Gaan ze liever drie keer per jaar naar de camping in Zeeland in plaats van één keer per jaar naar Thailand met het vliegtuig? Hoe denken ze over tweede huizen? Van Wee: “Het antwoord op deze vragen kan implicaties hebben voor de ruimtelijke planning in Nederland. In de laatste fase van het onderzoek gaat een postdoc bekijken waar je recreatiegebieden zou moeten plannen als we bijvoorbeeld en masse in Nederland blijven, en welke verbindingen je ernaartoe moet leggen.”

Output uitventen
Spannend nieuw onderzoek dus, uit te voeren door nog aan te stellen aio’s en postdocs. De programma’s hebben een looptijd van vier jaar. Al tijdens de rit gaat de sectie TLO, zoals Van Wee het uitdrukt, ‘op de barricaden’. Hij licht toe: “De betrokken ministeries en de Randstad moeten iets kúnnen met onze bevindingen. We willen nadrukkelijk de vertaalslag maken naar het beleid. We zullen onze output uitventen via papers en congressen, maar ook via formele en informele contacten met vertegenwoordigers van het ministerie.” Omgekeerd willen de onderzoekers zich door beleidsambtenaren laten inspireren. Caspar Chorus: “Dat is eigenlijk voor TBM een  gebruikelijke werkwijze, in die zin doen we geen spectaculair nieuwe dingen. Verder moeten onze wetenschappelijke resultaten breder uitwisselbaar zijn. We ontwikkelen modellen en instrumenten die ook interessant zijn voor onderzoekers die niets hebben met de Randstad. Het modellenwerk staat voorop, het Randstadwerk is te beschouwen als een casestudy.”

© 2012 TU Delft

Metamenu